Nog niet heel lang geleden bracht de Portugese zanger Fernando Lameirinhas een bezoek aan Cuba. Hij raakte in de ban van de mooie cultuur. Van zijn ervaringen maakte hij de voorstelling 'Cuba In' die 2 april te zien is in het Beauforthuis in Zeist.

Uw concert gaat over uw blik op Cuba, het is niet de eerste keer dat u zich liet ‘infecteren’ met een andere cultuur, u heeft op veel plekken gewoond en gewerkt.

Waarom besloot u naar Cuba te gaan zonder plan?

“Uit nieuwsgierigheid. Vooral, door nieuwsgierigheid vanuit muzikale kant. Ik heb altijd veel gespeeld met muzikanten vanuit verschillende culturen. Het verreikt mijn muziek.”

Wat maakte Cuba zo bijzonder?

“Het was een cultuur die ik nog niet van dichtbij had meegemaakt.”

U Bent geboren in Porto in Portugal. Tijdens uw jeugd heeft u enkele jaren op het platteland gewoond. Uw passie is ontstaan door het kerkorgel, wat vond u daar zo intrigerend aan?

“Ik wilde muziek maken. Wij leefden op het platteland, ik was een dromer ik verzon mijn eigen melodieën. Er was alleen een radio op het platteland. Ik hoorde het orgel in de kerk en ik kreeg kippenvel, toen wist ik dat ik muziek wilde maken.”

Toen u 15 jaar was, moesten jullie als gezin vluchten voor het regime van Salazar, omdat uw vader werd verdacht van linkse sympathieën. Jullie kwamen terecht in Charleroi in België.

Hoe was deze stap voor u als tiener?

“Het was anders. We moesten als kind mee werken in de fabriek om de kost te verdienen. Na drie jaar begon ik echt muziek te maken in Charleroi.”

Ging u naar een opleiding toe om muziek te beoefenen?

“Nee, zo gebruikelijk was dat niet helaas. Ik moest mee werken in de fabriek om het huishouden draaiende te houden, in België hadden wij niks.  Maar ook school kwam er nog tussendoor. Muziekles had ik in de avond.”

Om muziek te maken heb je een instrument nodig. Instrumenten zijn duur. Fernando besloot op 17 jarige leeftijd te stoppen met school en zich fulltime te richten op werken en muziek. “Ik ben nooit een typische schooljongen geweest.”

U heeft in uw twintiger jaren veel succes gehad als duo met uw broer, echter raakte u toch in een sleur. Hoe kwam dat?

“Wij zijn samen begonnen maar we spelen nog steeds samen. Na de periode vanaf de jaren 60, begon ik hem muziek te leren en anderhalf jaar later begonnen we met een kleine band te spelen. In 1965 hebben wij een plaat opgenomen bij een platenmaatschappij in Brussel. Al snel raakten we in de ban van de soulmuziek en de fado’s. Jess en James was geboren.  Maar na de successen die we vierden werd de druk om muziek te maken die nog beter zou zijn dan de vorige platen ons te veel, ik vond de creativiteit niet meer. We kwamen in een soort hippie periode terecht en ik ging naar Londen om daar opnieuw mijn eigen ‘ik’ te ontdekken.

Van nette jongens in mooie pakken kwamen Fernando en zijn broer eind jaren 60’ in een periode van ‘sex drugs and rock and roll’ terecht. De hippie periode was aangebroken. Fernando ziet door deze periode grenzen als kooien. “Je bent nooit uitgeleerd over jezelf , daarom moet je jezelf niet beperken om meerdere kanten van jezelf te kunnen ontdekken.

U heeft daarom ook met veel verschillende artiesten uit andere genres samengewerkt. Met welke artiest vond u dat het meest een uitdaging? En waarom?

“Na de periode van Londen begon ik in het Portugees te schrijven in plaats van in het Engels. In Nederland sloeg dat goed aan. We werden de huisband van de Melkweg, zo ontstonden de samenwerkingen. Alle samenwerkingen hebben stuk voor stuk iets bijzonders, maar de meest bijzondere was denk ik toch die met Bløf. Wij ontmoeten elkaar bij de radio en besloten een samenwerking aan te gaan waarbij zij ons Portugese liedje in het Nederlands vertaalden. Een maand daarna waren zij ontzettend succesvol.”