Afgelopen donderdag bracht de Universiteit Utrecht een rapport naar buiten waaruit blijkt dat seksueel misbruik binnen Jehova’s Getuigen in de meeste gevallen alleen intern wordt opgelost. Het nieuws houdt ook de 60-jarige Frances Peters uit Woudenberg bezig. Ze groeide op bij de Jehova’s Getuigen, maar vanaf eind jaren ’90 gaat ze samen met haar man kritischer kijken naar de organisatie.

Frances groeide als jongste, in een gezin van vier kinderen, op in Amersfoort. Haar moeder, geboren in Engeland, maakte pas kort na de geboorte van Frances kennis met Jehova’s Getuigen. De predikers aan de deur spraken ook Engels, dat vond ze fijn. Ze sloot zich uiteindelijk aan bij Jehova’s Getuigen in Amersfoort. Langzaam kreeg het geloof zo ook een grotere rol in de jeugd van Frances. Als er in 1979 een Engelse Jehova-gemeenschap start in Zeist sluit haar moeder zich daarbij aan. Frances zelf blijft in Amersfoort en verhuist kort daarna naar Hengelo. In 2004 stapt ze samen met haar man uit de organisatie, waarna ze in 2007 officieel wordt uitgesloten.

"Mijn vader had een totaal andere levenswijze en deed eigenlijk precies het tegenovergestelde van wat mijn moeder wilde doen."

“Mijn moeder raakte erg actief betrokken binnen Jehova’s Getuigen. Ze bezocht alle vergaderingen, en feestdagen zoals verjaardagen of kerst vierden we niet meer. Helemaal toen ze uiteindelijk ook gedoopt werd.” Frances’ vader, zelf niet aangesloten bij Jehova’s Getuigen, was daar fel op tegen. “Wij werden vaak meegenomen naar vergaderingen. Mijn vader ging daar dan tegenin. Hij had een totaal andere levenswijze en deed eigenlijk precies het tegenovergestelde van wat mijn moeder wilde doen. Hij heeft wel samen met mijn moeder Bijbelstudie gevolgd, maar zag ervan af om zich aan te sluiten bij Jehova’s Getuigen.”

Scheiding

Als Frances dertien jaar oud is gaan haar ouders uit elkaar. Het verschil in religieuze opvatting was volgens Frances niet het enige wat te maken had met die scheiding. “Ik denk dat het eerder te maken had met de manier waarop mijn vader wilde leven.”

Haar moeder werd in die periode opgevangen door Jehova’s Getuigen. “Ze boden zorg voor haar, voor mij, mijn broer en mijn twee zussen. Mijn moeder raakte totaal overspannen en was twee jaar lang onbereikbaar. Doordat de gemeenschap ook een deel van de zorg op ons overnam, kregen we een stuk meer contact met de Getuigen.”

Turks

Bij de gemeenschap in Amersfoort ontmoette Frances haar toekomstige echtgenoot Martin. Op twintigjarige leeftijd trouwden ze. Samen steken ze tegen het einde van de middelbare school nog meer tijd in hun geloof. “Wij waren, zoals ze dat noemde, volle tijds predikers. We werkten er wel naast, maar prediken deden we voltijd.” Dat prediken gebeurde ook veel in andere talen, om zo een grotere groep mensen te kunnen bereiken. Vanuit de gemeenschap werden taal- en cultuurcursussen aangeboden. Frances volgde zo’n cursus, om daarna samen met haar man te gaan prediken in het Turks. In Hengelo, waar op dat moment veel Turkssprekende immigranten wonen.

"Mensen vinden je op een gegeven moment te kritisch worden.”

Twijfel

Eind jaren ‘90, Frances heeft inmiddels kinderen, stapelen de eerste twijfels zich op. “Mijn man ging op zoek naar antwoorden op zijn eigen vragen. Maar hij wilde vooral aantonen dat de kritiek op Jehova’s Getuigen ongegrond was. Hij kwam echter ook dingen tegen die hij voor zichzelf niet kloppend kon krijgen.”

Frances en haar man gaan vragen stellen. “Eerst aan onszelf, want die zaken liggen gevoelig. Daarna ga je erover praten. Mensen vinden je op een gegeven moment te kritisch worden. Maar ik wilde het gewoon begrijpen.”

Seksueel misbruik

Frances ziet een documentaire waarin een klokkenluider van het hoofdkantoor van Jehova’s Getuigen naar buiten trad met bewijzen omtrent kindermisbruik binnen de organisatie. Het raakte haar: “Ik voelde me zo bedrogen. Ik dacht, als dit niet klopt, als ze daar zo over hebben gelogen, waar liegen ze dan nog meer over?” Want ook binnen haar eigen gemeenschap kwam seksueel misbruik voor. Het werd afgedaan als slechts een enkel geval. “Er waren verschillende gevallen van kindermisbruik en seksueel misbruik geweest. Deze werden allemaal in de doofpot gestopt. Zo was er een ouderling in onze gemeente die zich had vergrepen aan een tienermeisje en aan drie hele kwetsbare volwassen vrouwen.”

"We moesten ons maar neerleggen bij de regels."

Frances kreeg na het zien van de documentaire meer vragen. Met name de komst van haar eigen kinderen zette haar aan het denken. “Ik heb toen behoorlijk van streek aan een ouderling gevraagd hoe het zit met die tweegetuigenregel (bepaalt dat er minimaal twee getuigen nodig zijn bij een beschuldiging, voor er een zaak geopend wordt, red.) Dat kan toch nooit toegepast worden op kindermisbruik? Een kind dat misbruikt is heeft helemaal geen tweede getuige. We moesten ons maar neerleggen bij de regels, was zijn reactie. Dat vond ik zo’n onbevredigend antwoord. Het gaat hier om een strafbaar feit.”

Rechterlijk comité

"Het is niet aan Jehova’s Getuigen om zoiets uit te zoeken."

Afgelopen donderdag bracht de Universiteit Utrecht een rapport naar buiten waaruit blijkt dat seksueel misbruik binnen Jehova’s Getuigen in de meeste gevallen intern wordt afgehandeld. Dat herkent Frances. “Ze hebben wat ze noemen een rechterlijk comité. Als het bewezen wordt geacht dat er inderdaad sprake is geweest van seksueel misbruik, dan moet een slachtoffer het hele verhaal vertellen tegenover drie mannen, waanzin! Als een dader vervolgens spijt betuigt, dan is de zaak gesloten. Er wordt geen aangifte gedaan bij de politie. Als je een pedofiel niet aangeeft bij de politie, hoeveel kinderen lopen er daarna nog gevaar? Ook buiten de gemeenschap. De ouderlingen die zo’n zaak behandelen zijn bovendien helemaal niet pedagogisch opgeleid om met dit soort traumatische gebeurtenissen om te gaan. En daarbij, het is niet aan Jehova’s Getuigen om zoiets uit te zoeken. Dat moet de politie doen.”

Opvang

In 2004 besloten Frances en haar man uit de gemeenschap te stappen. Als ze drie jaar later hun ontdekkingen ook openbaar gaan maken worden ze definitief uitgesloten van de organisatie. Tegenwoordig zet ze zich in als coach voor lotgenoten; ex- Jehova’s en anderen die afgesplitst raken van sterke groepsculturen. “Ik bedacht me, er is heel weinig passende opvang. Ik heb zelf ook pas later professionele hulp gekregen. In 2010 ben ik begonnen met mijn eigen praktijk. Ik ga daarmee door tot ik erbij neer val. Want er is gewoon heel weinig opvang.”